kerkraadskoorfeest

Dialecten in Limburg

De Ripuarische dialecten

De Ripuarische dialecten vormen het paarse gebied op de kaart. Het Ripuarisch omvat de plaatsen Kerkrade, Bocholtz, Simpelveld en Vaals in het zuidoosten van de provincie. De westelijke grenslijn ervan wordt gevormd door de Benrather lijn. Deze lijn wordt ook wel eens de maken-machen lijn genoemd, omdat de dialecten ten westen ervan de vorm make gebruiken en de dialecten ten oosten mache. Deze overgang van k naar ch is één van de klankwijzigingen die in zijn geheel onder de term Hoogduitse klankverschuiving bekend staat. In de Ripuarische dialecten hebben ook de medeklinkers t en p die wijziging ondergaan. In het Kerkraads bijvoorbeeld, spreekt men niet van tied maar van tsied (‘tijd’), aese in plaats van aete (‘eten’) en kroefe in plaats van kroepe (‘kruipen’). Een ander opvallend kenmerk van de Ripuarische dialecten is het voorkomen van een j op plaatsen waar meer westelijke dialecten een g gebruiken: jans tegenover gans (‘helemaal’), jod tegenover good (‘goed’) en verjaese naast vergaete (‘vergeten’). De wisseling van g naar j komt niet in alle Ripuarische dialecten voor: het verschijnsel beperkt zich tot de plaatsen Kerkrade, Bocholtz en Vaals. Opmerkelijk bij de dialecten uit dit gebied is ook de eigen vormingswijze van de verleden tijd van de zwakke werkwoorden: pakket tegenover meer westelijk pakde (‘pakte’) of lofet naast westelijker leep (‘liep’). Ten slotte vallen de dialecten in het uiterste zuidoosten van Limburg op door een groot aantal Duitse woorden: tsiedónk (‘krant’), tsóg (‘trein’), fiermóng (‘vormsel’), boechsjtaab (‘letter’), obs (‘fruit’).

Het Ripuarische overgangsgebied

Het Ripuarische overgangsgebied Het Ripuarische overgangsgebied is in de kaart lichtgroen gekleurd. De dialecten uit dit gebied hebben, zoals de naam al zegt, veel overeenkomsten met de Ripuarische dialecten. Zo gebruiken ze ook de werkwoorden han (‘hebben’) en zage (‘zeggen’), waar meer westelijk gelegen Limburgse dialecten van höbbe en zègke spreken. Bovendien kenmerken ze zich door een wegval van de r na een klinker als daar een t, een s of de combinatie st op volgt: zjwat (‘zwart’), kieësj (‘kers’), doeësj (‘dorst’). Een belangrijk verschil met de Ripuarische dialecten is dat ze de Hoogduitse klankverschuiving niet hebben ondergaan. Daar is één uitzondering op: de dialecten in dit gebied hebben wel een verschoven vorm in de uitgang –lijk. Die wordt als –lig uitgesproken: gemekkelig (‘gemakkelijk’), behuurlig (‘behoorlijk’), ierlig (‘eerlijk’).

Het Oost-Limburgs

Het Oost-Limburgs is in de kaart rood gekleurd. De westelijke grenslijn van dit gebied wordt gevormd door de zogenaamde Panninger lijn. De Oost-Limburgse dialecten kenmerken zich door het feit dat zij bij de medeklinkercombinaties sp-, st-, sl-, sm-, sn- en zw- aan het begin van het woord een sj-klank gebruiken: sjpele (‘spelen’), sjtrikke (‘breien’), sjlaope (‘slapen’), sjmere (‘smeren’), sjnavel (‘snavel’) en zjwart (‘zwart’). In het zuidelijk deel van het Oost-Limburgs hoort men die sj-klank ook aan het eind van woorden: miensj (‘mens’), vösj (‘vis’), valsj (‘vals’). Een groot deel van de Oost-Limburgse dialecten wordt verder gekenmerkt door de zogenaamde mouillering. Daarbij wordt de medeklinkercombinatie –nd uitgesproken als –nj of –ndj. In het Roermonds of Sittards bijvoorbeeld, hoort men dus niet wandele maar wanjele en mandj en hóndj in plaats van mand en hond.

Het Centraal-Limburgs

De smalle strook langs de Maas en rond Weert in het westen van de provincie wordt het Centraal-Limburgs genoemd. Die naam lijkt op het eerste gezicht merkwaardig, maar is zo gekozen omdat dit gebied samen met een groot gedeelte van de Belgische provincie Limburg het centrale deel vormt van het hele Limburgse taalgebied. De Centraal-Limburgse dialecten, bijvoorbeeld het Maastrichts of het Tongers, hebben geen sj-klank in woorden die beginnen met de medeklinkercombinatie sp-, st-, sl-, sm-, sn- en zw-: spele (‘spelen’), strikke (‘breien’), slaope (‘slapen’), maar wel – net als de meer oostelijk van dit gebied gelegen dialecten – in woorden waar de standaardtaal sch- kent: sjoeël (‘school’), sjoen (‘mooi’), sjolk (‘schort’). Uitzondering op deze regel vormen de dialecten van Weert en omgeving: daar gebruikt men die sch- wel.

Het Kleverlands

Het Kleverlands is in de kaart oranje gekleurd. De Kleverlandse dialecten vertonen al veel Brabantse trekjes. Zo spreekt men er bijvoorbeeld van geej en gillie in plaats van het in meer zuidelijk Limburgs gebruikelijke doe of dich (‘jij’) en geer (‘jullie’). Ten noorden van plaatsen als Velden, Venlo en Arcen kent men er ook het onderscheid niet meer tussen sleeptoon en stoottoon waarmee in een groot deel van de Limburgse dialecten een verschil in betekenis kan worden aangegeven: sjtein (met sleeptoon: ‘steen’; met stoottoon: ‘stenen’), sjloek (met stoottoon: ‘snoep’; met sleeptoon: ‘waterslang’), wins (met stoottoon: ‘winst’; met sleeptoon: ‘wens’). Wel gebruikt men in het Kleverlands, net als in de rest van Limburg, eenklanken op plaatsen waar de standaardtaal een tweeklank kent: ies voor ‘ijs’, hoes of huus voor ‘huis’. In het zuiden wordt het Kleverlands begrensd door de Uerdinger lijn. Deze lijn vormt de scheidslijn tussen de zuidelijke dialecten die de vormen ich en ouch gebruiken en de noordelijke die in deze gevallen de uitspraak ik en ouk kennen.

Het Mich-kwartier

Het groene gebied rond Venlo is een overgangsgebied tussen het Kleverlands en het Oost-Limburgs. De dialecten hier gebruiken het noordelijk ik en het zuidelijk mich (‘mij’) naast elkaar. Meer noordelijk in de provincie, bijvoorbeeld in een plaats als Mook, kent men voor deze laatste vorm het woord mien. Het gebied wordt in de taalkunde daarom het mich-kwartier genoemd.

Kleverlands

Venray

Mich-kwartier

Venlo

Centraal-Limburgs

Maastricht

Oost-Limburgs

Roermond

Ripuarisch

Kerkrade

Ripuarische
Overgangsdialecten

Heerlen
COOKIES
Deze website maakt gebruik van cookies.